Naar de inhoud
Femke met een polsbandje en Daria stoppen met hun fietsen bij een bakker tussen de lentebloesems.
0% gelezen

Hoofdstuk 29

Na de storm

Femke en DariaVeerkracht

Het was een gewone dinsdag. Regen. Femke en Daria fietsten samen naar huis, zoals sinds een paar maanden elke dag.

Aan het kruispunt bij de bakker reed een bestelwagen door het rood. Femke zag hem te laat. Ze remde. Haar wiel gleed weg op de natte tegels. Ze viel. De bestelwagen raakte haar fiets, niet haar. Maar het scheelde zo weinig dat Daria het geluid van het metaal nog weken zou horen.

Femke brak haar pols. Daria had geen schram.

Femke droeg zes weken gips. Iedereen schreef erop. Wout tekende een draak die een fiets at. Ze vertelde het verhaal in de klas, met handgebaren. Mensen vonden haar stoer.

Daria vertelde niets. Ze kwam naar school. Ze deed haar taken. Maar ze fietste niet meer. Ze nam de bus, ook al duurde dat drie keer zo lang. Als ze een bestelwagen hoorde remmen, sprong haar hart in haar keel. 's Nachts zag ze het kruispunt. Steeds opnieuw.

"Gij hebt toch niks?" zei iemand. "Femke heeft haar pols gebroken. Gij niet."

Daria knikte. Gij hebt toch niks. Misschien was dat waar. Waarom voelde ze zich dan zo kapot?

Femke merkte het als eerste. Daria was stiller dan ooit, zelfs voor Daria.

"Gij fietst niet meer," zei Femke op een middag.

"Ik heb geen zin."

"Daria."

Daria keek naar het gips. "Ik zie het altijd opnieuw. Het kruispunt. Ik slaap niet. En iedereen zegt dat ik niks heb, want ik heb geen gips."

Femke dacht na. "Dus gij hebt ook een gips. Alleen vanbinnen."

Ze gingen samen naar juf Hilde. Die luisterde, en zei dat wat Daria voelde heel gewoon was na zoiets. Dat je lijf onthoudt wat bang was. En dat het meestal na een tijd minder wordt, zeker als je erover praat. Maar dat het oké is om er hulp bij te vragen als het niet minder wordt.

Daria ging naar het CLB. Daarna een paar keer naar een psychologe die met haar oefende. Langzaam. Eerst alleen naar het kruispunt kijken, met Femke ernaast. Dan er voorbij wandelen. Dan, na weken, met de fiets aan de hand.

Femke kreeg haar gips eraf. Haar pols was stijf. Ze moest naar de kinesist. Ook dat ging langzaam.

In mei fietsten ze weer samen. Femke met een pols die nog wat pijn deed bij koud weer. Daria met een hart dat nog wat sneller ging aan het kruispunt.

Ze stopten bij de bakker. Ze kochten twee koeken.

"Zijn we nu genezen?" vroeg Femke.

"Nee," zei Daria. "We zijn aan het helen. Dat is iets anders."

"Wat is het verschil?"

Daria dacht na. "Genezen is klaar. Helen is onderweg. En onderweg is oké."

Real talk

Na iets heftigs, zoals een ongeval, kan je een wonde hebben die je niet ziet. Schrikken, slecht slapen, beelden die terugkomen, plekken vermijden. Dat is een normale reactie van je lijf op iets abnormaals.

Bij de meeste mensen wordt het na een paar weken minder. Wordt het niet minder, of hindert het je om te leven zoals je wil? Vraag dan hulp: het CLB, je huisarts, een psycholoog. Er zijn goede manieren om je lijf te leren dat het gevaar voorbij is.

En wie naast iemand staat die "niks heeft": vraag het toch. Een onzichtbare wonde is ook een wonde.

“Je bent niet kapot. Je bent aan het helen.”

Welkom in de Jungle · Hoofdstuk 29

* Wie zit er in jouw jungle-kaart? Of kijk bij: Als je netwerk even niet genoeg is

Naar het oefenboek bij dit hoofdstuk