Bolt was twaalf. Een Jack Russell met één oor omhoog en één oor omlaag, en het karakter van een generaal. Hij was ouder dan Yassins kleine broertje en had meer ruzies gewonnen dan de rest van het gezin samen.
Hij werd ziek in de herfst. Hij at niet meer. Hij lag de hele dag in zijn mand. De dierenarts zei dat hij pijn had, en dat het niet meer beter zou worden.
Op een vrijdag ging het hele gezin mee. Yassin hield Bolts poot vast. Bolt likte nog één keer zijn hand. Toen sliep hij in.
Yassin was dertien en had altijd gedacht dat hij niet ging wenen om een hond. Hij weende de hele weg naar huis. Zijn papa ook, wat Yassin nog nooit had gezien.
Op school durfde hij het bijna niet te zeggen. "Het was maar een hond," zei Kobe, toen het toch uitkwam. Yassin wilde hem slaan. Hij deed het niet. Hij ging op het toilet zitten en appte Ruben.
Ruben schreef terug: Het was niet maar een hond. Het was Bolt.
Zaterdag begroeven ze Bolt in de tuin, onder de appelboom. Yassins mama had gezegd dat iedereen iets mocht vertellen.
Zijn kleine broertje vertelde hoe Bolt ooit een hele taart had opgegeten, met kaarsjes en al.
Zijn papa vertelde hoe Bolt elke ochtend de postbode uitschold alsof hij persoonlijk iets had misdaan.
En Yassin vertelde over de keer dat Bolt zijn voetbalschoen had gestolen en die drie dagen later teruggebracht had, vol modder, met een trotse blik alsof hij een prijs had gewonnen.
Iedereen lachte. Hard. Zijn papa met tranen op zijn wangen.
En toen schrok Yassin. Mocht dat wel? Lachen? Op een begrafenis?
"Mam," fluisterde hij. "Is het raar dat we lachen?"
Zijn mama keek naar de appelboom. "Bolt deed ons altijd lachen," zei ze. "Waarom zou hij daar nu mee stoppen?"
Yassin dacht na. Hij dacht aan de voetbalschoen. Aan de taart met kaarsjes. Hij lachte weer. En hij weende ook. Allebei tegelijk. Het voelde raar en juist.
Die avond zette hij een foto van Bolt als achtergrond op zijn gsm. Bolt, met één oor omhoog, de voetbalschoen in zijn bek.
Kobe zag het een week later. Hij zei niets. Maar de dag erna zei hij, uit het niets: "Ik had vroeger een konijn. Snuffel. Ik ween nog altijd soms."
Yassin keek hem aan. "Vertel eens over Snuffel."
