De wachtkamer van de dagkliniek had veertien stoelen, een aquarium met drie vissen en een tijdschrift over tuinieren uit 2019. Ruben kende ze allemaal. De vissen had hij namen gegeven. Frit, Frut en Kevin.
Elke dinsdag om twee uur kreeg zijn papa daar chemo. Ruben ging mee als het kon. Na school, met de bus, met zijn rugzak nog vol boeken.
"Ge moet niet elke keer komen," zei zijn papa.
"Ik weet het," zei Ruben. En hij kwam elke keer.
Op school wist bijna niemand het. Ruben wilde niet de jongen zijn "van wie de papa kanker heeft". Hij wilde gewoon Ruben zijn. De jongen met de zakdoeken. De jongen die eerstejaars de weg wees.
Dus als iemand vroeg "Alles goe?", zei hij "Ja hoor." En als hij in de les zat en zijn gedachten naar de wachtkamer dreven, deed hij alsof hij aantekeningen maakte.
Maar 's nachts googelde hij. Overlevingskansen. Bijwerkingen. Woorden die hij niet begreep en die hem bang maakten. Hij werd er niet wijzer van. Alleen banger.
Op een dinsdag ging het niet goed. Zijn papa werd heel misselijk. De verpleegster vroeg Ruben om even in de gang te wachten. Hij zat alleen bij Frit, Frut en Kevin en voelde iets wat hij al maanden wegduwde.
Hij begon te huilen. Gewoon daar. Met zijn rugzak op zijn schoot.
Een verpleger kwam naast hem zitten. Grote handen, tatoeage van een anker. "Zware dag?"
Ruben knikte.
"Weet ge wat ik vaak zie?" zei de verpleger. "Kinderen die heel sterk proberen te zijn. Voor hun mama of papa. Voor iedereen. Maar sterk zijn betekent niet dat ge niet mag wenen. Het betekent dat ge blijft komen. En dat doet ge."
De verpleger gaf hem een folder. Een praatgroep voor jongeren met een zieke ouder. Ruben stopte hem in zijn rugzak en dacht: nooit.
Hij ging toch. Drie weken later. Er zaten zes jongeren. Een meisje van vijftien wiens mama borstkanker had. Een jongen van twaalf wiens papa hersenletsel had na een ongeval. Niemand keek raar als iemand zei dat hij soms boos was op zijn zieke ouder. Iedereen knikte.
"Ik dacht dat ik de enige was die dat dacht," zei Ruben.
"Iedereen denkt dat," zei het meisje. "Daarom zitten we hier."
Op school vertelde hij het aan juf Hilde, en later aan Lina en Yassin. Niet aan iedereen. Aan zijn mensen.
Op dinsdag stond Yassin nu soms aan de bushalte. "Ik moet toch die kant uit," zei hij, wat niet waar was. Lina stuurde elke dinsdagavond hetzelfde bericht: En? Hoe was 't met Frit, Frut en Kevin?
De chemo werkte. Niet perfect, niet voor altijd beloofd. Maar zijn papa kreeg in het voorjaar weer haar. Grijs, en veel krulliger dan vroeger.
"Ge lijkt op een schaap," zei Ruben.
"Een schaap dat nog leeft," zei zijn papa. "Dat is het beste soort schaap."
