Mats kwam te laat binnen. Vier minuten. De bus had pech gehad, of de chauffeur, dat was niet helemaal duidelijk.
Hij deed de deur open en vierentwintig hoofden draaiden zich om. Zo voelde het toch. Zijn gezicht werd warm. Zijn rugzak bleef haken aan de deurklink. Iemand giechelde.
Hij liep naar zijn bank. Daria keek op.
"Wat kijk jij?!" snauwde Mats.
Daria schrok. Ze keek meteen weer naar haar blad. Ze had naar de klok gekeken, boven de deur. Niet naar hem.
De klas werd stil. Meneer Vermeulen trok één wenkbrauw op. Alleen één. Dat was erger dan twee.
Het was niet de eerste keer. Mats had "een kort lontje", zei zijn mama. "Een kruitvat met benen," zei zijn grote broer.
Als iemand hem uitlachte, beet hij. Als hij iets fout had, beet hij. Als hij schrok, beet hij ook. Daarna voelde hij zich altijd rot. Maar dan was het al gebeurd.
In de pauze kwam Yassin naast hem staan. "Gast. Waarom deed ge zo tegen Daria?"
"Ze keek raar."
"Ze keek naar de klok."
"Ja, maar..." Mats stopte. Hij wist niet wat er na "maar" kwam.
In het mentoruur tekende juf Hilde een thermometer op het bord. Onderaan stond rustig. Bovenaan stond ontploffing. Ertussen stonden kleine streepjes.
"Boosheid," zei ze, "is vaak een bodyguard. Hij staat voor een ander gevoel om het te beschermen. Wie weet welk gevoel?"
"Verdriet," zei Elif.
"Schaamte," zei Lina.
"Schrik," zei Wout, zonder op te kijken.
Juf Hilde knikte. "Als ge te laat binnenkomt en iedereen kijkt, wat voelt ge dan eerst?"
Mats keek naar zijn bank. Hij wist het antwoord. Hij zei het niet. Maar hij schreef het op een post-it, onder zijn bank, waar niemand het zag: beschaamd.
Na de les liep hij naar Daria. Zijn hart klopte alsof hij te laat was voor een toets.
"Sorry voor daarstraks," zei hij. "Ik schrok. Iedereen keek. Dat ging niet over jou."
Daria keek hem even aan. "Ik dacht dat ik iets fout deed."
"Nee. Ik deed iets fout."
Ze knikte. Toen zei ze, heel droog: "In Oekraïne zeggen we: een hond die blaft, is meestal bang."
Mats lachte, half. "Ben ik nu een hond?"
"Een beetje," zei Daria. "Een kleine."
Het ging niet ineens weg, dat kruitvat. Maar Mats had iets nieuws. Als hij voelde dat zijn gezicht warm werd, telde hij zijn vingers. Vijf. Vier. Drie. En hij zei in zijn hoofd wat er eigenlijk aan de hand was.
Ik schrik hiervan. Niet van jou.
Soms zei hij het zelfs hardop. De eerste keer tegen zijn broer, die zo verbaasd was dat hij vergat om terug te pesten.
