Naar de inhoud
Juf Hilde wijst naar vier gekleurde rondjes op het bord; Jonas zit naast Wout terwijl de klas meekijkt.
0% gelezen

Hoofdstuk 35

Waarom klapt hij dicht?

Juf Hilde en de klasVerbinding

Meneer Vermeulen gaf een toets terug. Hij zei niets. Dat was al een slecht teken. Hij legde de bladen een voor een op de banken, met de punten naar onder.

Het waren slechte punten. Bijna voor iedereen. Het gemiddelde was 4,8 op 10, zei hij. "Dat is ook voor mij een slecht punt."

Toen ging de bel. En toen gebeurde er van alles tegelijk.

Elif stuurde meneer Vermeulen nog in de gang drie berichten via Smartschool. Of ze iets fout had gedaan. Of hij boos was. Of ze het nog kon goedmaken met een extra taak, alsjeblieft.

Wout zei "maakt niet uit", stopte zijn toets weg zonder te kijken en zei de rest van de dag niets meer. Tegen niemand.

Jonas maakte een grap over meneer Vermeulen die te ver ging. Toen niemand lachte, schopte hij tegen zijn bank.

Mats lachte eerst om de grap van Jonas. Toen werd hij rood. Toen liep hij de klas uit. Hij wist zelf niet waarom.

Yassin zei tegen Lina: "Slecht punt. Balen. Helpt ge me straks?"

Juf Hilde had het allemaal gezien in de gang. In het volgende uur, mentoruur, legde ze haar plan aan de kant. Ze tekende vier grote rondjes op het bord.

"Iedereen heeft een alarm," zei ze. "Vanbinnen. Als ge u onveilig voelt, gaat het af. Bij een slecht punt, bij ruzie, als iemand weggaat. Maar niet iedereen zijn alarm klinkt hetzelfde."

In het eerste rondje schreef ze: Ik zoek iemand.

"Ge zijt geschrokken, ge zegt het, ge vraagt hulp. Zoals Yassin daarnet. Dat lukt als ge geleerd hebt dat er iemand is."

In het tweede: Ik regel het zelf.

"Ge klapt dicht. Ge zegt dat het niet uitmaakt. Ge trekt u terug. Dat lijkt koel. Maar vanbinnen denkt ge: als ik niemand nodig heb, kan niemand me teleurstellen."

Wout keek op. Voor het eerst die dag.

In het derde: Laat me niet los.

"Ge zoekt heel veel bevestiging. Ge zegt veel sorry. Ge zijt bang dat iemand boos is of weggaat."

Elif werd rood en keek naar haar gsm, waar nog altijd geen antwoord van meneer Vermeulen stond.

In het vierde: Kom hier, ga weg.

"En soms gaat het alarm alle kanten op. Ge wilt iemand dichtbij, en tegelijk is dichtbij eng. Dan bevriest ge, of ge ontploft, of ge lacht op momenten dat het niet past. Dat is vaak een alarm dat te veel heeft moeten afgaan."

Het was heel stil in de klas.

"Waar komt dat vandaan?" vroeg Lina.

"Uit hoe ge klein geweest zijt," zei juf Hilde. "Hoe de mensen rond u reageerden toen ge bang was. Daar leert uw alarm hoe het moet afgaan. Dat is geen karakterfout. En het belangrijkste: het kan veranderen. Eén iemand die er altijd is, een tante, een leerkracht, een trainer, maakt al verschil."

"Hoeveel mensen hebben zo'n tweede, derde of vierde alarm?" vroeg Ruben.

"Onderzoekers denken dat het bij drie à vier op de tien kinderen anders afgaat dan bij het eerste rondje. In een klas als deze zijn dat er acht à tien. Meer dan ge denkt."

Iemand floot zacht.

Juf Hilde schreef nog één zin onder de rondjes: Gebruik dit niet om iemand in een hokje te steken. Gebruik het om een vraag te stellen.

Op het einde van het uur stak Jonas zijn hand op. "Dus als Wout dichtklapt, is hij niet boos op mij?"

"Meestal niet," zei juf Hilde. "Meestal staat zijn alarm aan."

Jonas draaide zich om naar Wout. "Gast. Is uw alarm aan?"

Wout dacht na. "Een beetje."

"Oké," zei Jonas. "Ik ga dan gewoon wat naast u zitten. Zonder iets te zeggen."

Hij hield het twaalf seconden vol. Toen zei hij: "Wilt ge een koek?" Maar Wout lachte. Heel even. En dat was al veel.

Meneer Vermeulen antwoordde Elif die avond. Ik ben niet boos. Ik was teleurgesteld in mijn eigen uitleg. Morgen leg ik het opnieuw uit. Slaap goed.

Elif las het vijf keer. Toen legde ze haar gsm weg. Haar alarm zweeg.

Real talk

Iedereen heeft een alarm. Hoe het afgaat, heb je geleerd toen je klein was. Er zijn ruwweg vier manieren:

  • Ik zoek iemand: je praat erover en kan troost aannemen. Wat helpt: er gewoon zijn.
  • Ik regel het zelf: je klapt dicht en lijkt koel. Wat helpt: niet pushen, wel in de buurt blijven. Praten naast elkaar (fietsen, gamen) werkt beter dan tegenover elkaar.
  • Laat me niet los: je vraagt veel bevestiging en bent bang dat iemand weggaat. Wat helpt: duidelijk zijn en doen wat je zegt.
  • Kom hier, ga weg: je bevriest, ontploft of reageert onvoorspelbaar. Wat helpt: rust, geen plotse aanrakingen, en een volwassene erbij halen.

In een klas van 25 zijn er waarschijnlijk acht tot tien bij wie het alarm sneller of anders afgaat (Didactief). Gebruik dit niet om iemand een etiket te geven. Gebruik het om een vraag te stellen: "Staat jouw alarm aan?"

Herken je jezelf in het vierde rondje? Praat erover met iemand uit je jungle-kaart. Je alarm kan leren dat het veilig is.

“Niet iedereen die zwijgt, is boos. Soms staat zijn alarm gewoon aan.”

Welkom in de Jungle · Hoofdstuk 35

* Wie zit er in jouw jungle-kaart? Of kijk bij: Als je netwerk even niet genoeg is

Naar het oefenboek bij dit hoofdstuk