De school van Campus Hoogwoud was een doolhof. Drie gebouwen, twee trappenhallen, een gang die "de tunnel" heette en een lokaal 0.14 dat niemand ooit vond.
Ruben wist dat. Vorig jaar had hij drie weken lang elke dag te laat in de les gezeten. Niet omdat hij niet wou. Omdat hij verloren liep. En omdat hij het niet durfde te vragen.
Dit jaar zat hij in het tweede. Hij kende de school als zijn broekzak. Zijn papa was ziek en dat was moeilijk genoeg. Maar dit, dit kon hij tenminste.
In de eerste week zag hij een jongen uit het eerste in de tunnel staan. Met zijn lessenrooster in zijn hand, ondersteboven, en een gezicht alsof hij ging huilen.
"Waar moet ge zijn?"
"0.14."
Ruben grijnsde. "Niemand vindt 0.14. Kom mee."
De volgende dag waren het er drie. De dag erna stond Daria er, die nog niet goed Nederlands sprak en de bordjes niet kon lezen.
Ruben bracht ze allemaal. Hij kwam zelf drie keer te laat.
Meneer Vermeulen vroeg waarom.
"Ik was mensen aan het brengen," zei Ruben. "De eerstejaars lopen verloren."
Meneer Vermeulen keek hem lang aan. "En hoeveel van die mensen kunt gij elke dag brengen?"
"Niet genoeg."
"Dan moet ge iets bouwen dat ook werkt als gij er niet zijt."
Ruben dacht na. De hele avond. Tussen het eten en het ziekenhuisbezoek door.
De volgende ochtend stond hij in de klas met een blad. "Ik heb een idee. Elke eerstejaars krijgt een maatje uit het tweede. Voor de eerste maand. Gewoon iemand die ge kunt sturen als ge iets niet vindt. Of als ge niet weet wat ge moet doen."
Het bleef stil. Toen zei Lina: "Ik doe mee."
Yassin: "Ik ook. Als ik er niet een moet nemen die naar voetbal stinkt."
Zelfs Jonas stak zijn hand op. "Ik kan ze leren hoe ge de automaat gratis laat werken."
"Nee," zeiden zes mensen tegelijk.
Het werd een lijst. Toen een plan op papier. Toen ging Ruben, met Lina, naar de directie. Hij had het nog nooit zo spannend gevonden om ergens te zitten. Spannender dan het ziekenhuis, bijna.
De directeur luisterde. Ze stelde vragen. Ze zei: "Waarom hebben wij dat zelf nooit bedacht?"
"Omdat gij de weg al kent," zei Ruben.
In oktober had elke eerstejaars een maatje. Er hingen pijlen in de tunnel, getekend door Wout. Bij 0.14 hing een bord: Proficiat. Ge hebt het gevonden.
En Ruben? Hij kwam niet meer te laat. Behalve op de dagen dat hij naar het ziekenhuis ging. Op die dagen stond er altijd iemand van zijn maatjes bij de poort, om zijn rugzak naar boven te dragen.
