Na de cartoon over de gsm-regel was Wout even beroemd. Mensen die nooit met hem praatten, zeiden "nice tekening" in de gang. Hij knikte dan. Hij wist niet goed wat hij anders moest doen.
Maar in februari werd hij nog stiller dan anders. En voor Wout was dat heel stil.
Hij tekende niet meer in de les. Hij at zijn boterhammen niet op. Hij kwam twee keer niet naar school, "ziek". In de klasgroep reageerde hij op niets meer, zelfs niet op de memes van Jonas, waar hij vroeger altijd één duimpje op zette. Altijd één. Nooit twee.
Daria merkte het als eerste. Daria merkte altijd alles als eerste. Ze had geleerd om goed te kijken in een taal die ze nog niet goed sprak.
Op een woensdag gaf Wout haar zijn schetsboek. Het hele schetsboek. Met alle tekeningen van dit jaar erin. De mindmap van Brussel. De pingpongbal met benen. De vos die belt.
"Voor u," zei hij. "Ik heb het niet meer nodig."
Daria nam het aan. Er ging een koude rilling door haar heen. Ze wist niet waarom. Of ze wist het wel, maar wilde het niet weten.
Die avond kreeg Jonas een bericht van Wout. Het eerste in weken.
Als ik er niet meer ben, mist toch niemand mij.
Jonas keek ernaar. Zijn eerste reflex was een grap. Een meme. Iets om het lichter te maken. Zo deed hij dat altijd.
Hij typte het niet. Hij dacht aan juf Hilde, aan het herstelgesprek, aan wat ze toen zei: "Iemand die slecht is, zou het niet erg vinden." Hij vond dit heel erg.
Hij belde Lina. Lina belde Daria. Daria vertelde over het schetsboek.
"Dit is niet goed," zei Lina. "Dit is echt niet goed."
Ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Ze waren veertien. Dus deden ze twee dingen tegelijk.
Jonas belde Wout. Niet appen. Bellen. Wout nam op na zes keer overgaan.
"Gast," zei Jonas. Zijn stem trilde. "Ik kreeg uw bericht. Ik ga u iets vragen en ge moogt eerlijk zijn. Denkt ge eraan om uzelf iets aan te doen?"
Het bleef heel lang stil.
"Soms," zei Wout.
Jonas voelde zijn knieën slap worden. Maar hij bleef praten. "Oké. Dank u dat ge het zegt. Ik blijf aan de lijn. Ik ga nergens heen."
Intussen belde Lina haar mama, die meteen Wouts ouders belde.
Wouts mama ging naar zijn kamer, met de telefoon nog in haar hand. Ze zat de hele nacht naast hem. De volgende dag gingen ze samen naar de huisarts, en van daaruit naar iemand die gespecialiseerd was in jongeren die het zo zwaar hebben.
Wout was een tijd niet op school. Toen hij terugkwam, was hij nog altijd stil. Niet alles was ineens goed. Hij ging elke week naar een psycholoog. Hij vertelde later dat hij al maanden het gevoel had dat hij "te veel" was en "niet genoeg" tegelijk, en dat hij niet wist hoe hij dat moest zeggen. Dus had hij het niet gezegd.
Op zijn eerste dag terug lag er iets op zijn bank. Een schetsboek. Een nieuw.
Op de eerste bladzijde had Daria iets getekend. Ze kon niet goed tekenen, dat zag je meteen. Een uil, of misschien een aardappel met ogen. Eronder stond, in haar zorgvuldige, nieuwe Nederlands:
Wij hebben u gemist. Elke dag. Ook toen ge er nog was.
En daaronder, in andere handschriften:
Gast. Uw duimpje op mijn memes. Ik mis dat echt. (Jonas)
Ge waart de enige die wist hoe we naar Brussel moesten. (Mats)
De pingpongbal met benen hangt nog altijd. Niemand mag hem weghalen. (Ruben)
Gij doet ertoe. Ge hebt altijd al ertoe gedaan. (Lina)
Wout las het. Hij legde zijn hoofd op zijn armen. Zijn schouders schokten. Niemand zei iets. Daria legde haar hand naast de zijne op de bank, niet erop. Gewoon ernaast.
Die middag zette Wout weer één duimpje op een meme van Jonas. Eén. Nooit twee.
